DE NEIGING TOT ONTAARDING
“Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, omdat allen hebben gezondigd.”
Romeinen 5:12
De Bijbel zegt niet dat God het menselijke ras voor de zonde van één mens strafte; maar dat de aard van de zonde, nl., mijn aanspraak op mijn recht op mijzelf, door één mens het menselijke ras is binnengekomen, en dat een andere Mens de zonde van het menselijke ras op Zich nam en haar wegdeed (Hebr. 9:26) — een oneindig diepere openbaring. De aard van de zonde is niet immoraliteit en verkeerd-doen, maar de aard van zelf-realizatie — ik ben mijn eigen god. Deze aard kan zich uitwerken in fatsoenlijke moraliteit of in onfatsoenlijke immoraliteit, maar zij heeft één grondslag, mijn aanspraak op mijn recht op mijzelf. Toen Onze Heer mensen onder ogen zag met alle machten van het kwaad in hen, en tegenover mensen die rein leefden en moreel en oprecht waren, schonk Hij geen aandacht aan de morele degradatie van de ene of aan de morele verworvenheid van de andere; Hij keek naar iets wat wij niet zien, nl., de aard.
Zonde is een ding waarmee ik geboren ben en waaraan ik niet kan raken; God raakt de zonde aan in de Verlossing. In het Kruis van Jezus Christus heeft God het gehele menselijke ras verlost van de mogelijkheid van verdoemenis door de erfelijkheid van de zonde. Nergens houdt God een mens verantwoordelijk voor het bezitten van de erfelijkheid van de zonde. De veroordeling is niet dat ik met een erfelijkheid van de zonde geboren ben, maar als ik weiger Hem dat te laten doen, wanneer ik besef dat Jezus Christus kwam om mij ervan te bevrijden, begin ik vanaf dat ogenblik het zegel van verdoemenis te ontvangen. "En dit is het oordeel" (het beslissende ogenblik), "dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen de duisternis meer liefhadden dan het licht."