HET GEESTELIJKE REGISTER
“Of welke mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven?”
Mattheüs 7:9
Het beeld van gebed dat Onze Heer hier gebruikt, is dat van een goed kind dat om een goed ding vraagt. Wij spreken over gebed alsof God ons hoort ongeacht het feit van onze verhouding tot Hem (vgl. Mattheüs 5:45). Zeg nooit dat het niet Gods wil is u te geven wat u vraagt; ga niet zitten en bezwijk niet, maar zoek de reden uit, sla het register open. Staat u in de juiste verhouding tot uw vrouw, uw man, uw kinderen, uw medestudenten — bent u daar een "goed kind"? "O Heer, ik ben prikkelbaar en nors geweest, maar ik wil werkelijk geestelijke zegen." U kunt die niet krijgen; u zult het zonder moeten doen totdat u in de houding van een goed kind komt.
Wij houden verzet voor toewijding; wij houden redetwisten met God voor overgave. Wij willen het register niet inzien. Heb ik God gevraagd mij geld te geven voor iets wat ik wil, terwijl er iets is waarvoor ik niet heb betaald? Heb ik God om vrijheid gevraagd terwijl ik haar onthoud aan iemand die mij toebehoort? Ik heb iemand zijn overtredingen niet vergeven; ik ben niet vriendelijk voor hem geweest; ik heb onder mijn verwanten en vrienden niet als Gods kind geleefd (vers 12).
Alleen door wedergeboorte ben ik een kind van God, en als kind van God ben ik alleen goed naarmate ik in het licht wandel. Bij de meesten van ons wordt gebed veranderd in een vrome gemeenplaats; het is een kwestie van gevoel, mystieke gemeenschap met God. Geestelijk zijn wij allen goed in het voortbrengen van mist. Als wij het register openslaan, zullen wij heel duidelijk zien wat er verkeerd is — die vriendschap, die schuld, die gemoedsgesteldheid. Het heeft geen zin te bidden tenzij wij als kinderen van God leven. Dan, zegt Jezus: "Ieder die vraagt, ontvangt."