DE MOEDIGE KAMERAADSCHAP VAN GOD
“Toen nam Hij de twaalf tot Zich.”
Lukas 18:31
De moed van God om ons te vertrouwen! U zegt: "Maar het was onverstandig van Hem mij te kiezen, want er is niets in mij; ik ben van geen waarde." Daarom heeft Hij u gekozen. Zolang u denkt dat er iets in u is, kan Hij u niet kiezen, omdat u eigen doeleinden hebt om te dienen; maar als u Hem u tot het einde van uw zelfgenoegzaamheid hebt laten brengen, kan Hij u kiezen om met Hem naar Jeruzalem te gaan, en dat zal de vervulling betekenen van doeleinden die Hij niet met u bespreekt.
Wij zijn geneigd om te zeggen dat een mens, omdat hij natuurlijke bekwaamheid heeft, daarom een goede christen zal worden. Het is geen kwestie van onze uitrusting, maar van onze armoede; niet van wat wij meebrengen, maar van wat God in ons legt; geen kwestie van natuurlijke deugden van karaktersterkte, kennis en ervaring — dat alles baat in deze zaak niets. Het enige wat baat, is dat wij in de grote dwinging van God worden opgenomen en tot Zijn kameraden worden gemaakt (vgl. 1 Korinthiërs 1:26-30). De kameraadschap van God wordt gevormd uit mensen die hun armoede kennen. Hij kan niets doen met de mens die denkt dat hij voor God nuttig is. Als christenen zijn wij volstrekt niet uit op onze eigen zaak; wij zijn uit op de zaak van God, die nooit onze zaak kan zijn. Wij weten niet waarop God uit is, maar wij moeten onze verhouding tot Hem handhaven, wat er ook gebeurt. Wij mogen nooit toestaan dat iets onze verhouding tot God beschadigt; als zij wel beschadigd raakt, moeten wij tijd nemen en haar recht laten zetten. Het voornaamste van het christendom is niet het werk dat wij doen, maar de verhouding die wij handhaven en de atmosfeer die door die verhouding wordt voortgebracht. Dat is alles wat God ons vraagt te bewaken, en het is het ene wat voortdurend wordt aangevallen.