DE GROTE DWINGING VAN GOD
“Zie, wij gaan op naar Jeruzalem.”
Lukas 18:31
Jeruzalem staat in het leven van Onze Heer voor de plaats waar Hij het hoogtepunt van de wil van Zijn Vader bereikte. "Ik zoek niet Mijn eigen wil, maar de wil van de Vader Die Mij gezonden heeft." Dat was gedurende het gehele leven van Onze Heer het ene overheersende belang, en de dingen die Hij onderweg ontmoette — vreugde of verdriet, succes of mislukking — hielden Hem nooit van Zijn doel af. "Hij richtte Zijn aangezicht standvastig om naar Jeruzalem te gaan."
Het belangrijkste om te bedenken is dat wij naar Jeruzalem opgaan om Gods doel te vervullen, niet het onze. Van nature zijn onze ambities van onszelf; in het christelijke leven hebben wij geen eigen oogmerk. Er wordt tegenwoordig zoveel gezegd over onze beslissingen voor Christus, onze vastbeslotenheid christenen te zijn, onze beslissingen voor dit en dat; maar in het Nieuwe Testament wordt het aspect van Gods dwinging naar voren gebracht. "U hebt Mij niet gekozen, maar Ik heb u gekozen." Wij worden niet opgenomen in bewuste overeenstemming met Gods doel; wij worden zonder enig bewustzijn in Gods doel opgenomen. Wij hebben geen begrip van waarop God mikt, en naarmate wij voortgaan wordt het steeds vager. Gods mikken schijnt de roos te missen, omdat wij te kortzichtig zijn om te zien waarop Hij mikt. Aan het begin van het christelijke leven hebben wij onze eigen denkbeelden over wat Gods doel is: ‘Het is de bedoeling dat ik hier- of daarheen ga’; ‘God heeft mij geroepen om dit bijzondere werk te doen’; en wij gaan en doen het, en toch blijft de grote dwinging van God bestaan. Het werk dat wij doen, telt niet mee; vergeleken met de grote dwinging van God is het niet meer dan steigerwerk. "Hij nam de twaalf tot Zich"; Hij neemt ons voortdurend tot Zich. Er is meer dan waartoe wij tot nu toe zijn doorgedrongen.