DE CONCENTRATIE VAN PERSOONLIJKE ZONDE
“Wee mij! want ik verga; omdat ik een man van onreine lippen ben.”
Jesaja 6:5
Wanneer ik in Gods tegenwoordigheid kom, besef ik niet dat ik in onbepaalde zin een zondaar ben; ik besef de concentratie van zonde in een bepaald kenmerk van mijn leven. Een mens zal gemakkelijk zeggen — 'O, ja, ik weet dat ik een zondaar ben'; maar wanneer hij in Gods tegenwoordigheid komt kan hij met die verklaring niet wegkomen. De overtuiging wordt geconcentreerd op — ik ben dit, of dat, of iets anders. Dit is altijd het teken dat een man of vrouw in Gods tegenwoordigheid is. Er is nooit enig vaag besef van zonde, maar de concentratie van zonde in een bepaald persoonlijk punt. God begint door ons te overtuigen van het ene ding waarop het denken is vastgezet dat door Zijn Geest wordt ingegeven; als wij ons op dat punt aan Zijn overtuiging overgeven, zal Hij ons naar de grote onderliggende aard van de zonde leiden. Zo handelt God altijd met ons wanneer wij bewust in Zijn tegenwoordigheid zijn.
Deze ervaring van de concentratie van zonde geldt voor de grootste en de geringste heiligen evenals voor de grootste en de geringste zondaren. Wanneer iemand op de eerste sport van de ladder van ervaring staat, kan hij zeggen — ik weet niet waar ik verkeerd ben gegaan; maar de Geest van God zal een bepaald definitief ding aanwijzen. Het gevolg van het visioen van de heiligheid van de Heer voor Jesaja was dat hem werd ingeprent dat hij een man van onreine lippen was. "En hij legde die op mijn mond, en zei Zie, dit heeft uw lippen aangeraakt; en uw ongerechtigheid is weggenomen, en uw zonde gezuiverd." Het reinigende vuur moest worden aangebracht waar de zonde geconcentreerd was.