HET LICHT DAT FAALT
“Wij allen, met onbedekt aangezicht... de heerlijkheid van de Heer aanschouwend.”
2 Korinthiërs 3:18
Een dienaar van God moet zozeer alleen staan dat hij nooit weet dat hij alleen is. In de eerste fasen van het christelijke leven komen ontmoedigingen: mensen die vroeger lichten waren flakkeren uit, en zij die vroeger naast ons stonden sterven. Wij moeten daaraan zo gewend raken dat wij nooit weten dat wij alleen staan. "Allen hebben mij verlaten... maar de Heer stond mij bij" (2 Timotheüs 4:16-17). Wij moeten ons geloof niet bouwen op het verblekende licht, maar op het licht dat nooit faalt. Wanneer "grote" mensen heengaan, zijn wij bedroefd, totdat wij zien dat het de bedoeling is dat zij heengaan. Het enige wat overblijft, is dat wij zelf God in het aangezicht zien.
Laat niets u ervan weerhouden God streng in het aangezicht te zien aangaande uzelf en uw leer; en zie er iedere keer dat u predikt op toe dat u God inzake de dingen eerst in het aangezicht ziet, dan zal de heerlijkheid door alles heen blijven. Een christelijke arbeider is iemand die voortdurend God in het aangezicht ziet en vervolgens uitgaat om met mensen te spreken. Het kenmerk van de bediening van Christus is de blijvende, onbewuste heerlijkheid. "Mozes wist niet dat de huid van zijn aangezicht straalde terwijl hij met Hem sprak."
Wij worden nooit opgeroepen onze twijfels openlijk te etaleren of de verborgen extasen van ons leven met God te uiten. Het geheim van het leven van de arbeider is dat hij de hele tijd op God afgestemd blijft.