DE TOEWIJDING VAN HET HOREN
“Spreek, want Uw dienaar hoort.”
1 Samuël 3:10
Omdat ik beslist naar één ding van God heb geluisterd, volgt daaruit niet dat ik naar alles zal luisteren wat Hij zegt. De wijze waarop ik God toon dat ik Hem noch liefheb noch eerbiedig, is de afgestomptheid van mijn hart en verstand tegenover wat Hij zegt. Als ik mijn vriend liefheb, bespeur ik intuïtief wat hij wil, en Jezus zegt: "U bent Mijn vrienden." Ben ik deze week een of ander bevel van mijn Heer ongehoorzaam geweest? Als ik had beseft dat het een bevel van Jezus was, zou ik het niet bewust ongehoorzaam zijn geweest; maar de meesten van ons tonen zo weinig eerbied voor God dat wij niet eens horen wat Hij zegt - het is alsof Hij nooit heeft gesproken.
De bestemming van mijn geestelijke leven is zo'n vereenzelviging met Jezus Christus dat ik God altijd hoor, en ik weet dat God mij altijd hoort (Johannes 11:41). Als ik met Jezus Christus verenigd ben, hoor ik God door de voortdurende toewijding van het horen. Een lelie, een boom of een dienaar van God kan Gods boodschap aan mij overbrengen. Wat mij verhindert te horen, is dat ik geheel door andere dingen in beslag word genomen. Het is niet dat ik God niet wil horen, maar mijn toewijding bevindt zich niet op de juiste plaats. Ik ben toegewijd aan dingen, aan dienst, aan overtuigingen; en God mag zeggen wat Hij wil, maar ik hoor Hem niet. De houding van een kind is altijd: "Spreek, Heer, want Uw dienaar hoort." Als ik deze toewijding van het horen niet heb ontwikkeld, kan ik Gods stem slechts op bepaalde tijden horen; op andere tijden word ik in beslag genomen door dingen - dingen waarvan ik zeg dat ik ze moet doen - en word ik doof voor Hem; ik leef niet het leven van een kind. Heb ik Gods stem vandaag gehoord?