ZIET U UW ROEPING?
“Afgezonderd tot het Evangelie.”
Romeinen 1:1
Onze roeping is niet in de eerste plaats heilige mannen en vrouwen te zijn, maar verkondigers van het Evangelie van God. Het ene ding dat van het hoogste belang is is dat het Evangelie van God wordt beseft als de blijvende Werkelijkheid. Die Werkelijkheid is niet menselijke goedheid, noch heiligheid, noch hemel, noch hel; maar Verlossing; en de noodzaak dit te doorzien is vandaag de meest wezenlijke nood van de christelijke arbeider. Als arbeiders moeten wij vertrouwd raken met de openbaring dat Verlossing de enige Werkelijkheid is. Persoonlijke heiligheid is een gevolg, geen oorzaak, en als wij ons geloof stellen in menselijke goedheid, in het gevolg van Verlossing, zullen wij bezwijken wanneer de beproeving komt.
Paulus zei niet dat hij zichzelf had afgezonderd, maar — "toen het God behaagde Die mij had afgezonderd..." Paulus had geen overgevoelige belangstelling voor zijn eigen karakter. Zolang onze ogen op onze eigen persoonlijke witheid zijn gericht zullen wij nooit dicht bij de werkelijkheid van de Verlossing komen. Arbeiders bezwijken omdat zij hun eigen witheid begeren, en niet God. "Vraag mij niet ter wille van de vuilheid van het menselijke leven zoals het is in aanraking te komen met de ruige werkelijkheid van de Verlossing; wat ik wil is alles wat God voor mij kan doen om mij in mijn eigen ogen aantrekkelijker te maken." Zo spreken is een teken dat de werkelijkheid van het Evangelie van God mij nog niet heeft aangeraakt; er is geen roekeloze teugelloze overgave aan God. God kan mij niet bevrijden zolang mijn belangstelling uitsluitend naar mijn eigen karakter uitgaat. Paulus is zich niet van zichzelf bewust, hij is roekeloos teugelloos overgegeven, en door God voor één doel afgezonderd — het Evangelie van God verkondigen (vgl. Rom. 9:3.)