VOORTDURENDE BEKERING
“Tenzij u bekeerd wordt en als kleine kinderen wordt ...”
Mattheüs 18:3
Deze woorden van onze Heer gelden voor onze eerste bekering, maar wij moeten al de dagen van ons leven voortdurend bekeerd worden, ons voortdurend als kinderen tot God keren. Als wij op ons vernuft vertrouwen in plaats van op God, brengen wij gevolgen voort waarvoor God ons verantwoordelijk zal houden. Zodra onze lichamen door de voorzienigheid van God in nieuwe omstandigheden worden gebracht, moeten wij erop toezien dat ons natuurlijke leven de voorschriften van de Geest van God gehoorzaamt. Dat wij het eenmaal hebben gedaan, is geen bewijs dat wij het opnieuw zullen doen. De verhouding van het natuurlijke tot het geestelijke is er een van voortdurende bekering, en dit is het ene ding waartegen wij bezwaar maken. In iedere omgeving waarin wij worden geplaatst, blijft de Geest van God onveranderd en Zijn redding onveranderd, maar wij moeten "de nieuwe mens aandoen". God houdt ons verantwoordelijk iedere keer dat wij weigeren onszelf te bekeren; onze reden om te weigeren is moedwillige hardnekkigheid. Ons natuurlijke leven mag niet regeren; God moet in ons regeren.
De belemmering in ons geestelijke leven is dat wij niet voortdurend bekeerd willen worden; er zijn proppen hardnekkigheid waar onze trots naar de troon van God spuugt en zegt: ik wil niet. Wij vergoddelijken onafhankelijkheid en eigenwilligheid en noemen ze bij de verkeerde naam. Wat God als hardnekkige zwakheid beschouwt, noemen wij kracht. Er zijn hele streken van ons leven die nog niet tot onderwerping zijn gebracht, en dat kan alleen door deze voortdurende bekering worden gedaan. Langzaam maar zeker kunnen wij het gehele gebied voor de Geest van God opeisen.