ALTIJD NU
“Wij... smeken u dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt.”
2 Korinthiërs 6:1
De genade die u gisteren had, voldoet niet voor vandaag. Genade is de overvloeiende gunst van God; u kunt er altijd op rekenen dat zij er is om uit te putten. "In veel geduld, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden" — daar komt de beproeving van het geduld. Schiet u daar tekort ten aanzien van de genade van God? Zegt u: ach, nu ja, deze keer zal ik er niet op rekenen? Het gaat er niet om dat u bidt en God vraagt u te helpen; het gaat erom nu de genade van God te nemen. Wij maken het gebed tot voorbereiding op het werk; dat is het in de Bijbel nooit. Het gebed is de oefening van het putten uit de genade van God. Zeg niet: ik zal dit verdragen totdat ik weg kan gaan en kan bidden. Bid nu; put uit de genade van God op het ogenblik van nood. Het gebed is het meest praktische wat er is; het is niet de reflexwerking van toewijding. Het gebed is het laatste waarin wij leren uit Gods genade te putten.
"In slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeizame arbeid" — openbaar in al deze dingen een putten uit de genade van God dat u voor uzelf en voor anderen tot een wonder zal maken. Put nu, niet straks. Het enige woord in de geestelijke woordenschat is Nu. Laat de omstandigheden u brengen waarheen zij maar willen; blijf in iedere denkbare toestand waarin u zich bevindt uit de genade van God putten. Een van de grootste bewijzen dat u uit de genade van God put, is dat u vernederd kunt worden zonder het geringste spoor van iets anders dan Zijn genade te vertonen.
"Niets hebbend..." Houd nooit iets achter. Giet het beste uit wat u hebt en wees altijd arm. Wees nooit diplomatiek en voorzichtig met de schat die God geeft. Dit is zegevierende armoede.