GEROEPEN DOOR GOD
“Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan? Toen zei ik: Hier ben ik; zend mij.”
Jesaja 6:8
God richtte de roeping niet rechtstreeks tot Jesaja; Jesaja ving op dat God zei: "Wie zal voor Ons gaan?" De roeping van God is niet voor de bijzondere enkelen bestemd, maar voor iedereen. Of ik Gods roeping hoor, hangt af van de toestand van mijn oren; en wat ik hoor, hangt af van mijn aard. "Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren"; dat wil zeggen: weinigen bewijzen dat zij de uitverkorenen zijn. De uitverkorenen zijn degenen die door Jezus Christus in een relatie met God zijn gekomen waardoor hun aard is veranderd en hun oren zijn ontstopt; zij horen voortdurend de zachte, stille stem vragen: "Wie zal voor Ons gaan?" Het gaat er niet om dat God één mens aanwijst en zegt: "Nu moet u gaan." God legde Jesaja geen sterke dwang op; Jesaja bevond zich in Gods tegenwoordigheid, ving de roeping op en besefte dat hem niets anders restte dan in bewuste vrijheid te zeggen: "Hier ben ik; zend mij." Zet het idee uit uw hoofd dat God met dwang en smekingen naar u toe zal komen. Toen Onze Heer Zijn discipelen riep, was er geen onweerstaanbare dwang van buitenaf. Zijn rustige, hartstochtelijke aandrang - "Volg Mij" - werd uitgesproken tot mensen wier vermogens volkomen wakker waren. Als wij de Geest van God toestaan ons oog in oog met God te brengen, zullen ook wij iets horen dat lijkt op wat Jesaja hoorde: de zachte, stille stem van God; en in volkomen vrijheid zullen wij zeggen: "Hier ben ik; zend mij."