EEN GEBONDEN SLAAF VAN JEZUS
“Ik ben met Christus gekruisigd; en toch leef ik; toch niet ik, maar Christus leeft in mij.”
Galaten 2:20
Deze woorden betekenen dat ik mijn onafhankelijkheid met mijn eigen hand breek en mij aan de opperheerschappij van de Heer Jezus overgeef. Niemand kan dit voor mij doen; ik moet het zelf doen. God kan mij driehonderdvijfenzestig maal per jaar tot het punt brengen, maar Hij kan mij er niet doorheen zetten. Het betekent de bast van mijn individuele onafhankelijkheid van God breken en mijn persoonlijkheid bevrijden tot eenheid met Hemzelf — niet voor mijn eigen denkbeelden, maar voor absolute trouw aan Jezus. Wanneer ik daar eenmaal ben, is redetwisten niet meer mogelijk. Zeer weinigen van ons weten iets van trouw aan Christus — "om Mijnentwil". Dat maakt de ijzeren heilige.
Heeft die breuk plaatsgevonden? Al het overige is vroom bedrog. Het ene punt waarover beslist moet worden is: zal ik opgeven, zal ik mij aan Jezus Christus overgeven en volstrekt geen voorwaarden stellen aan de wijze waarop de breuk plaatsvindt? Ik moet van mijn zelfverwerkelijking worden losgebroken; zodra dat punt is bereikt, vindt de werkelijkheid van de bovennatuurlijke vereenzelviging onmiddellijk plaats, en het getuigenis van de Geest van God is onmiskenbaar: "Ik ben met Christus gekruisigd."
De hartstocht van het christendom is dat ik weloverwogen mijn eigen rechten wegteken en een gebonden slaaf van Jezus Christus word. Totdat ik dat doe, begint mijn heilig-zijn niet.
Eén student per jaar die Gods roeping hoort, zou voor God voldoende zijn geweest om dit College in het leven te roepen. Dit College als organisatie is niets waard; het is niet academisch. Het bestaat nergens anders voor dan opdat God Zich levens kan toe-eigenen. Zal Hij Zich ons toe-eigenen, of worden wij in beslag genomen door onze opvatting van wat wij zullen worden?