HET EEUWIGE GEDRANG VAN DINGEN
“Ik ben voor allen alles geworden, opdat ik met alle middelen enigen zou redden.”
1 Korinthiërs 9:22
Een christelijke arbeider moet leren hoe hij Gods edele man of vrouw kan zijn midden in een menigte onedele dingen. Voer nooit dit pleidooi: "Was ik maar ergens anders!" Al Gods mensen zijn gewone mensen die buitengewoon zijn gemaakt door de inhoud die Hij hun heeft gegeven. Tenzij wij verstandelijk de juiste inhoud in ons denken en genegenheidsmatig in ons hart hebben, zullen wij uit de bruikbaarheid voor God worden verdrongen. Wij zijn niet uit eigen keuze arbeiders voor God. Veel mensen kiezen weloverwogen arbeiders te zijn, maar zij hebben niets van de inhoud van Gods almachtige genade in zich, niets van de inhoud van Zijn machtige Woord. Paulus’ gehele hart en verstand en ziel waren ingenomen door de grote inhoud van wat Jezus Christus kwam doen; hij verloor dat ene ding nooit uit het oog. Wij moeten onszelf voor het ene centrale feit plaatsen: Jezus Christus, en Die gekruisigd.
"Ik heb u gekozen." Houd die toon van grootheid in uw geloofsovertuiging (en geloofsbelijdenis). Niet u hebt God in bezit gekregen, maar Hij heeft u in bezit gekregen. Hier, in dit College, is God aan het werk: buigend, brekend, vormend, precies doend wat Hij verkiest. Waarom Hij het doet, weten wij niet; Hij doet het slechts voor één doel — opdat Hij kan zeggen: dit is Mijn man, Mijn vrouw. Wij moeten in Gods hand zijn, zodat Hij mensen op de Rots kan planten zoals Hij ons heeft geplant.
Kies nooit ervoor een arbeider te zijn; maar wanneer God Zijn roeping op u heeft gelegd, wee u als u naar rechts of naar links afwijkt. Hij zal met u doen wat Hij nooit met u deed voordat de roeping kwam; Hij zal met u doen wat Hij met andere mensen niet doet. Laat Hem Zijn weg hebben.