DE VREUGDE VAN DE WANHOOP
“En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten.”
Openbaring 1:17
Het kan zijn dat u net als de apostel Johannes Jezus Christus intiem kent, wanneer Hij plotseling zonder ook maar één vertrouwd kenmerk verschijnt en het enige ding dat u kunt doen, is als dood aan Zijn voeten te vallen. Er zijn tijden dat God Zich niet anders kan openbaren dan in Zijn majesteit, en het is de ontzagwekkendheid van het visioen die u tot de vreugde van wanhoop brengt; als u ooit opgericht zult worden, moet dat door de hand van God zijn.
"Hij legde Zijn rechterhand op mij." Te midden van de ontzagwekkendheid, komt er een aanraking, en u weet dat het de rechterhand van Jezus Christus is. De rechterhand niet van beteugeling noch van correctie noch van kastijding, maar de rechterhand van de Eeuwige Vader. Telkens wanneer Hij Zijn hand op u legt, is het een onuitsprekelijke vrede en troost, het gevoel dat "daaronder zijn de eeuwige armen," vol steun en troost en kracht. Als Zijn aanraking eenmaal komt, kan helemaal niets u weer in angst werpen. Te midden van al Zijn hemelvaartsheerlijkheid komt de Heer Jezus om tot een onbeduidende discipel te spreken, en te zeggen — "Vrees niet." Zijn tederheid is onuitsprekelijk zoet[1]. Ken ik Hem zo?
Let op enkele dingen die wanhoop teweegbrengen. Er is wanhoop waarin geen vreugde, geen horizon, geen hoop op iets helderders is; maar de vreugde van wanhoop komt wanneer ik weet dat "in mij (dat wil zeggen, in mijn vlees) geen goed ding woont." Ik verheug mij erover te weten dat er iets in mij is wat voor God ter aarde moet vallen wanneer Hij Zich openbaart, en als ik ooit opgericht zal worden moet dat door de hand van God gebeuren. God kan niets voor mij doen totdat ik de grens van het mogelijke bereik.